Veel te jong om dood te gaan

Veel te jong om dood te gaan

“We hadden het gewoon goed”, zei de oude man.

We zijn in de aula van het crematorium en de dienst is voorbij. Gebogen loopt hij weg. Weg van zijn grote liefde. Het kost hem zichtbaar veel moeite. Haar daar achter moeten laten, na 68 huwelijksjaren. Als hij al met een been in de gang staat, stopt hij en mompelt tegen zijn zoon “wacht even, nog even zwaaien”. Hij draait zich om, zwaait naar zijn vrouw en zegt “dag schat, nou dag”. Gebroken, snikkend, ondersteund door zijn zoon loopt hij van haar weg. Het beeld van deze oude man. Zo ontroerend, zo liefdevol en ook zo pijnlijk.

Niet zelden hoor ik om mij heen de – soms stille, soms luide – overtuiging dat als iemand overlijdt die ‘op leeftijd’ was dat het verlies dan minder erg is. Kennelijk hebben we in onze samenleving een ladder met gradaties van hoe erg een verlies is. En juist dat belemmert een groep mensen om erkenning te krijgen voor hun verdriet. En laat nou juist die erkenning een sleutel zijn voor een gezond evenwicht in het rouwproces. Een evenwicht tussen doorgaan met leven (dóórleven) en pijn en verdriet voelen (doorléven). Wanneer de omgeving een verlies als minder relevant bestempeld (en ja, dat doen we), dan is het heel lastig om ruimte en aandacht te krijgen voor het verdriet dat je hebt. Ik leg het meestal zo uit:

Als je rouwt om het verlies van iemand van wie je hield, spelen – heel basaal – twee elementen een rol. Het eerste element is het moeten missen van iemand. Dit is ongeacht leeftijd, hoe vaak je iemand zag, etc. Dit gaat over de betekenis die iemand voor jou had en het wegvallen daarvan. Je buurvrouw van 95 kan een hele belangrijke rol in je leven hebben gespeeld en misschien belangrijker dan je nicht van 30. Het tweede element is de aanvaarding. En dat is precies waar veel mensen op doelen als ze zeggen “hij/zij heeft toch een mooi leven gehad”. Dat gaat over het feit dat je kunt aanvaarden dat het leven voor die persoon voorbij is. Dit zegt dus helemaal niets over het verdriet en de pijn van het moeten missen (element 1) maar over de aanvaarding van het overlijden (element 2). Die twee worden structureel door elkaar gehaald en belemmeren mensen, die bijvoorbeeld een van hun ouders op 90-jarige leeftijd verliezen, om lange tijd verdrietig te zijn.

Wel is het vaak zo dat wanneer beide factoren zwaar wegen, het rouwproces moeizamer is. Wanneer je iemand erg mist en je kunt (nog) niet aanvaarden dat iemand dood is gegaan, maakt dat het rouwen een stuk zwaarder dan wanneer je iemand weliswaar mist maar wel hebt geaccepteerd dat iemand is overleden. Precies dat is de reden dat we vaak langer en intenser rouwen om een jong iemand dan om een ouder iemand. En natuurlijk speelt de verwachte of onverwachte dood hierbij een belangrijke rol. Bij een onverwacht overlijden hebben mensen vaak meer tijd nodig om tot aanvaarding te komen.

Als we snappen dat het rouwproces voor een groot deel wordt bepaald door deze twee elementen – missen en aanvaarding – en dat het dus gaat om de erkenning en zorg die we vanuit onze omgeving krijgen, dan weten we hopelijk beter hoe we iemand kunnen steunen die rouwt. Of het nou je vader van 92 is of een vriend van 28.

 

Geen reactie's

Geef een reactie